Skip to main content

Frankrijk heeft jarenlang gebouwd aan een van de grootste netwerken van zogenoemde tiers-lieux in Europa. Deze ‘third places’ bevinden zich ergens tussen het traditionele kantoor, thuiswerken en een lokale ontmoetingsplek.
Nu breekt een nieuwe fase aan. De Franse overheid heeft France Tiers-Lieux opgeheven, de landelijke organisatie die een belangrijk deel van het beleid rond deze locaties coördineerde. Ook de specifieke nationale financiering is sterk teruggeschroefd. Exploitanten zullen daardoor vaker moeten terugvallen op reguliere overheidsprogramma’s, lokale overheden én hun eigen inkomsten.

Voor de coworkingsector is dit veel meer dan alleen Frans overheidsbeleid. Het raakt aan een vraag die voor steeds meer flexkantoren in Europa relevant wordt: hoe duurzaam is een flexibel werkplekconcept wanneer publieke financiering verdwijnt?

Frankrijk bouwde een enorm netwerk van third places

Een tiers-lieu is doorgaans breder opgezet dan een traditioneel coworkingcentrum. Eén locatie kan flexwerkplekken en vergaderruimtes combineren met opleidingen, werkplaatsen, culturele activiteiten, digitale dienstverlening en lokale maatschappelijke initiatieven. Frankrijk ondersteunde de ontwikkeling van deze plekken daarom niet alleen als kantoorconcept, maar ook als instrument voor regionale ontwikkeling, werkgelegenheid, scholing en toegang tot voorzieningen. Dat beleid heeft een aanzienlijk ecosysteem opgeleverd. Recente stukken uit het Franse parlement spreken over meer dan 4.050 actieve third places. Ongeveer 35% daarvan ligt in landelijk gebied en 83% werkt samen met lokale overheden. Sinds 2018 heeft de Franse staat meer dan €300 miljoen geïnvesteerd in de ontwikkeling van het bredere netwerk. Vooral na de pandemie paste dat model goed bij de tijdgeest. Minder woon-werkverkeer, meer hybride werken en professionele werkplekken buiten de grote stadscentra kregen plotseling veel meer aandacht. Maar de rol van de overheid verandert nu.

France Tiers-Lieux beëindigde zijn activiteiten formeel op 29 juni 2026. Tegelijkertijd is de specifieke nationale financieringsstructuur die de sector hielp organiseren en professionaliseren grotendeels verdwenen. De Franse overheid stelt dat third places voortaan vaker gebruik kunnen maken van reguliere regelingen en dat locaties hun eigen verdienmodel verder moeten versterken. Daarmee neemt de commerciële druk op individuele locaties toe.

De grens tussen publieke voorziening en coworking blijft ingewikkeld

De Franse aanpak legt een spanningsveld bloot dat eigenlijk in de hele flexibele kantorenmarkt bestaat.
Is coworking simpelweg een commercieel vastgoedproduct, of kan een flexibele werkplek ook publieke infrastructuur zijn die overheidssteun verdient? In grote steden is er veel voor te zeggen om het grootste deel van het aanbod aan de markt over te laten. Coworkingbedrijven, businesscenters en aanbieders van managed offices concurreren daar om zzp’ers, startups en grotere ondernemingen. Wanneer een publiek gefinancierde locatie in precies dezelfde markt actief is, kan dat tot scheve concurrentieverhoudingen leiden. Een organisatie met subsidie, goedkope gemeentelijke huisvesting of andere publieke ondersteuning kan werkplekken soms goedkoper aanbieden dan een volledig commerciële exploitant. Volgens Coworking Europe speelde deze discussie in Frankrijk al langer. Een vroege inventarisatie liet bovendien zien dat coworking voor een groot deel van de destijds onderzochte third places een belangrijke activiteit was. Buiten de grote steden ligt dat anders.

Ongeveer een derde van de Franse third places bevindt zich in landelijk gebied. In kleinere gemeenten kan de commerciële vraag eenvoudigweg te klein zijn om een regulier coworkingcentrum rendabel te exploiteren. Een hybride locatie die werkplekken combineert met opleidingen, evenementen, publieke dienstverlening en gemeenschapsfuncties kan daar juist voorzieningen bieden waarvoor een puur commercieel model onvoldoende draagvlak heeft.

Daar zit waarschijnlijk de kern van het debat. De vraag is niet simpelweg of coworking subsidie moet krijgen. Het gaat erom waar flexibele kantoorruimte een regulier commercieel product is en waar die ruimte tegelijkertijd economische of maatschappelijke infrastructuur vormt.

Diversificatie van inkomsten wordt de echte test

De Franse beleidswijziging benadrukt ook een ontwikkeling die al langer zichtbaar is in de internationale coworkingsector: alleen bureaus verhuren is voor veel exploitanten niet meer voldoende. Een veerkrachtige flexibele werkplek heeft steeds vaker meerdere inkomstenbronnen. Privékantoren, vergaderruimtes, evenementen, horeca, lidmaatschappen, bedrijfscontracten, trainingen en samenwerkingen kunnen allemaal bijdragen aan het verdienmodel. Welke combinatie werkt, verschilt per locatie. Het doel is echter hetzelfde: minder afhankelijk worden van één type gebruiker of één financieringsbron. Voor third places is dat extra belangrijk. Coworking Europe meldt dat veel Franse locaties inmiddels meer eigen inkomsten genereren via verhuur, dienstverlening en evenementen. Tegelijkertijd constateerden publieke evaluaties dat sommige locaties nog sterk afhankelijk zijn van subsidies, kwetsbare personeelsstructuren hebben en moeite houden om op lange termijn een economisch stabiel model te ontwikkelen. Het verdwijnen van de landelijke coördinatie wordt daardoor onbedoeld een praktijktest voor de sector.

Locaties met voldoende lokale vraag, verschillende inkomstenstromen en sterke samenwerkingen met bedrijven of gemeenten kunnen mogelijk zelfstandig verder groeien. Concepten waarvan de exploitatie sterk afhankelijk blijft van subsidie kunnen daarentegen moeten inkrimpen, reorganiseren of uiteindelijk verdwijnen.

Franse parlementariërs verwijzen naar waarschuwingen uit de sector dat mogelijk tot een kwart van het netwerk in de problemen zou kunnen komen wanneer gecoördineerde ondersteuning uitblijft. Dat is een inschatting van betrokken partijen en geen vaststaand scenario, maar het laat wel zien hoe groot de zorgen zijn.

De rest van Europa moet goed opletten

Wat er in Frankrijk gebeurt, is ook voor andere Europese markten interessant. Flexibele kantoorruimte wordt steeds vaker gekoppeld aan regionale ontwikkeling, hybride werken en de revitalisering van kleinere steden. Voor overheden en gemeenten is het aantrekkelijk om ondernemers en hybride werknemers een professionele werkplek dicht bij huis te bieden, zonder dat iedereen daarvoor naar een grote zakenwijk hoeft te reizen. Maar een locatie openen is slechts het begin. Uiteindelijk moet iemand de exploitatie betalen. Wanneer de directe vraag van gebruikers niet voldoende inkomsten oplevert, moeten beleidsmakers bepalen of de bredere economische en maatschappelijke effecten verdere publieke investeringen rechtvaardigen.

Voor commerciële coworkingexploitanten bestaat een vergelijkbare uitdaging. Nu verhuurders, werkgevers en overheden steeds meer belangstelling krijgen voor flexibele kantoorruimte, moeten exploitanten meer bieden dan een bureau met wifi. Hospitality, community, zakelijke dienstverlening, programmering en partnerships worden steeds meer onderdeel van het kernproduct. Frankrijk lijkt daarom van de groeifase van third places naar een veel interessantere fase te gaan: de test of het model structureel levensvatbaar is.

Een nieuwe fase voor third places

De Franse aanpak heeft al aangetoond dat flexibele werkplekken meer kunnen zijn dan alleen een kantoor. Ze kunnen ondernemerschap, scholing, dienstverlening en economische activiteit ondersteunen op plekken waar de traditionele kantorenmarkt nauwelijks komt. De grote vraag is nu hoeveel van die locaties sterk genoeg zijn om verder te gaan wanneer gerichte nationale ondersteuning verdwijnt.

Voor coworkingexploitanten in de rest van Europa maakt dat Frankrijk tot een interessante markt om te volgen. De sterkste locaties zullen waarschijnlijk degene zijn die twee zaken weten te combineren: aantoonbare lokale waarde én een gezond commercieel model.

Leave a Reply